|
Dwangstoornissen
Als kiezen niet meer lukt
'Moeten' als dwang Bij sommige mensen nemen deze gewoonten echter extreme vormen aan. Ze schrobben hun handen tot bloedens toe. Of ze gaan urenlang door totdat ze alle kleren precies recht opgevouwen hebben. Anderen moeten steeds weer terug naar huis om te controleren of de deur wel echt op slot is. Dan is het gewone dagelijkse 'moeten' een ongezonde dwang geworden. Die dwang kan zo ver gaan dat ze alle tijd opslokt en een normaal dagelijks functioneren onmogelijk maakt. Mensen die dit hebben, lijden aan een dwangstoornis, ook wel obsessief-compulsieve stoornis genoemd (vroeger dwangneurose). Verschijnselen van de dwangstoornis Er is een geleidelijke overgang van 'normale' dwangmatige eigenschappen naar 'ziekelijke' dwang. Iemand heeft een dwangstoornis wanneer hij of zij dwanggedachten of dwanghandelingen heeft die veel tijd opslokken, veel last veroorzaken en het dagelijks functioneren verstoren. Kenmerkend is ook het gevoel van de persoon in kwestie dat de gedachten en het gedrag niet bij hem of haar horen. Ze zijn bovendien ongewenst. De meeste mensen met een dwangstoornis hebben zowel dwanggedachten als dwanghandelingen.
Dwanggedachten (obsessies)
Dwanghandelingen (compulsies) Dwanghandelingen kunnen ook voor de buitenwereld onzichtbaar, als gedachtenrituelen worden uitgevoerd. Een gedachtenritueel is bijvoorbeeld dat iemand van zichzelf een vraag eerst drie keer moet herhalen en dan pas antwoord mag geven. Dwang in allerlei vormen Bepaalde gedachten en handelingen komen bij dwangstoornissen veel voor. Hieronder staan de meest voorkomende beschreven. Vaak hebben mensen last van meerdere vormen.
Was-, schoonmaak- of poetsdwang
Controledwang
Dwanggedachten over geweld
Dwangmatige perfectie of netheid Dwangstoornissen ontstaan meestal door een combinatie van psychische, sociale en biologische factoren. Een belangrijke biologische factor is aanleg. Eén aspect daarvan is erfelijkheid: dwangstoornissen komen in bepaalde families vaker voor. Ook verlopen bepaalde biochemische processen in de hersenen anders bij mensen met een dwangstoornis dan bij andere mensen. Belangrijke sociale factoren zijn ingrijpende gebeurtenissen of ervaringen, zoals het overlijden van een dierbare, een bevalling, ontslag of zelfstandig gaan wonen. Zij kunnen een dwangstoornis uitlokken. Psychische factoren die een rol spelen bij het ontstaan van dwangstoornissen zijn onder meer persoonlijke eigenschappen zoals slecht raad weten met emoties en spanningen.
Van oplossing tot probleem Vervolgens maakt de persoon met de dwangstoornis steeds hetzelfde proces door. Hij of zij krijgt ongewild steeds dezelfde angstaanjagende gedachten, bijvoorbeeld dat het huis zal ontploffen omdat de gaskraan open staat. Ook al weet de persoon in kwestie dat hij deze zojuist nog heeft gecontroleerd, toch heeft hij nu geen rust meer. Even kan hij de gedachte misschien negeren, maar dan worden de angst en de onrust ondraaglijk. Toegeven aan de dwang en de gaskraan opnieuw controleren lijkt dan de enige oplossing. Dat brengt tijdelijk verlichting. Maar na verloop van korte of langere tijd begint hetzelfde proces van voor af aan. Nauw verwant aan dwangstoornissen zijn angststoornissen*. Mensen met een angststoornis hebben door hun angsten of paniekaanvallen evenmin een gewoon (sociaal) leven. Hun angst brengt hen ertoe bepaalde situaties te vermijden. Mensen met een dwangstoornis vermijden eenzelfde ondraaglijke angst door dwanghandelingen uit te voeren.
Een veelvoorkomend gezondheidsprobleem Bepaalde dwangstoornissen, zoals was- en schoonmaakdwang, komen vaker bij vrouwen voor. Mannen hebben meer last van controledwang. Dwangstoornissen ontstaan vaak al op jonge leeftijd, voor het vijfentwintigste jaar. Soms komen ze op de lagere school leeftijd al tot uiting. Een dwangstoornis heb je niet alleen. Het is niet iets om je voor te schamen of om te verbergen.
Niet afwachten Ook de partner en anderen in de directe omgeving hebben last van de dwang. Iemand met smetvrees kan bijvoorbeeld het hele gezin terroriseren door extreme hygiënische eisen te stellen en bijvoorbeeld alle gezinsleden te dwingen bij thuiskomst steeds schone kleren aan te doen. De omgeving onderwerpt zich vaak aan het regime van de persoon met een dwangstoornis. Dwangstoornissen verdwijnen vrijwel nooit vanzelf. De kans is zelfs groot dat de dwang erger wordt. Wacht niet met hulp zoeken, dwangstoornissen zijn namelijk goed te behandelen.
Tips voor mensen met een dwangstoornis
Tips voor de omgeving
Therapie helpt Ondersteunende technieken die ingezet kunnen worden zijn ontspanningsoefeningen, assertiviteitstrainingen en technieken om te leren relativeren en gevoelens te uiten. Ook contact met lotgenoten kan veel steun bieden. De behandeling vraagt grote inzet van de patiënt en zijn omgeving, maar de resultaten zijn in veel gevallen goed. Bij 80 procent van de mensen verminderen de dwangklachten dusdanig dat ze er goed mee kunnen leven.
Medicijnen
Meer lezen Dwang. Het moet, moet, moet! Over normale en abnormale dwangverschijnselen.
Dwanghandelingen, dwanggedachten.
Leven met een dwangstoornis.
Het verhaal van Herman Herman (42) heeft al meer dan tien jaar een eigen kapperszaak. Hij is een hartelijke man met veel geduld. Op het voetbalveld, als hij met zijn favoriete sport bezig is, vecht hij fanatiek voor de overwinning. In de loop der jaren hebben veel tegenstanders het tegen hem moeten afleggen. Vier jaar geleden moest Herman door een knieblessure stoppen met voetballen. Sindsdien is hij geleidelijk minder opgewekt geworden. Tegen zijn werk lijkt hij steeds meer op te zien. Zo ontspannen als hij vroeger was, zo verkrampt is hij nu vaak. Hij kijkt zijn klanten nauwelijks nog aan en belt ze ook steeds vaker op om afspraken te verzetten. Na maandenlang ontwijken en ontkennen vertelt Herman zijn zus uiteindelijk wat er aan de hand is: hij is bang dat hij zijn klanten ziek zal maken. Hij vertelt dat hij onder het knippen van een klant soms plotsklaps de gedachte krijgt: "ik bezorg jou kanker". Alsof hij met de kracht van zijn gedachten iemand ziek zou kunnen maken! Deze gedachten komen on-ver-wachts, zonder enige aanleiding, bij hem op. Na het vertrek van de klant schrobt Herman al zijn kammen, mesjes en scharen grondig schoon. Ondertussen probeert hij enkel 'goede' gedachten te hebben. Maar die vreselijke gedachten raakt hij maar niet kwijt. Langzamerhand is Herman ten einde raad. Hermans zus dringt aan op een bezoek aan de huisarts. Deze verwijst hem naar een psychiater, die Herman medicijnen voorschrijft om zijn neiging tot schoonmaken te bedwingen. Herman gaat ook naar een psycholoog, waar hij leert zijn gevoelens te uiten, vooral boosheid en frustratie. Hij traint nu elftallen van zijn oude voetbalclub. Daar kan hij heel wat spanning in kwijt. Zijn stemming is geleidelijk verbeterd en hij heeft minder vaak dwanggedachten. Zijn werk doet hij weer met plezier, zonder door angst te verkrampen. Informatie en hulp Als u zich zorgen maakt over uzelf of iemand in uw omgeving en een aantal van de beschreven verschijnselen herkent, doet u er goed aan hierover met uw huisarts te praten. Hij of zij zal u wellicht verwijzen naar een centrum voor geestelijke gezondheidszorg bij u in de buurt, een vrijgevestigd psychotherapeut of psychiater. Vraag naar een hulpverlener die ervaring heeft met de behandeling van dwangklachten.
Andere nuttige organisaties zijn:
|